Van ver gekomen

7 september 2021
Onderstaand stuk heb ik geschreven naar aanleiding van een artikel in het AD van vorige week, waarin werd aangekondigd dat Rutte zal spreken bij de ‘historische herdenking’ van de aankomst van de Molukkers in Nederland.
‘De gemeenschap hoopt op erkenning en excuses.’
De aankomst van de Molukkers zal – zeventig jaar later- symbolisch overgedaan worden. Met warme woorden, een eregroet en erkenning .
Als ik sprakeloos ben, schrijf ik het van me af.

Jouw geschiedenis is slechts een draadje verweven met ons Fantastische Verhaal.
Een alinea op de zwarte bladzijde die toch niemand leest.
Oost Indisch doof of niet, wij hebben op je ingepraat dat zwijgen goud is.
Goud is voor de gehoorzamen, de gelijkgestelden en de geluksvogels.
Voor de onverschrokken zeehelden die met hun blik op de horizon de wereld veroverden.
Met Visie, Overlevingskracht en Charme grepen wij de kansen, die niemand anders zag liggen.
Het kostte bloed, zweet en tranen om te bouwen aan ons koninkrijk.
Maar wij wassen onze handen in onschuld.
Jouw bloed is immers al vergoten, je zweet is weggevloeid en je tranen zijn gelaten.
Zout is het enige dat overblijft, maar dat maakt het smaakvol, toch?

Wij brachten je beschaving, onderwijs en opvoeding.
Wij leerden je te kleuren binnen de lijntjes, te leven binnen de grenzen, te denken binnen de kaders.
Door groot te dromen, zijn wij groot geworden.
Dat jij niet klein te krijgen bent, nemen we op de koop toe.
Immers, wie het kleine niet eert is het grote niet weerd.

Dus hierbij
Onze welgemeende excuses.
Een aai over je bol
Een kusje erop en klaar

Zullen we weer lief
Samen spelen en samen delen?
Ik een beetje meer dan jij?

Diep verdriet


Oktober 2020

Ik werd wakker van de krampen.
Diep in mijn baarmoeder voelde ik de samentrekkingen, niet lang daarna voelde ik hoe het bloed vloeide. Een steek in mijn hart, een drukkend gevoel op mijn borst.
Ik lag in het donker, de tranen zochten al een weg naar mijn wangen, langzaamaan kwam de maandelijkse gedachtentrein weer op gang.
Voor ze het station had verlaten, probeerde ik me om te draaien.
Stekende pijn mijn bekken, een drukkend gewicht op mijn buik.

“Ik ben niet ongesteld aan het worden – ik ben hoogzwanger.

Deze ene gedachte schoot pijlsnel mijn bewustzijn in, als een vuurpijl in een donkere nacht. Ik glimlachte.
Mijn lichaam heeft een jetlag, dat na negen maanden nog steeds niet helemaal weg is.
Mijn lichaam rouwt om verdriet dat ik niet meer hoef te dragen.
Vorige week voelde ik de stekende jaloezie toen ik een geboorte aankondiging zag. Zij was bevallen van een meisje.
Ik voelde hoe de tentakels van het groene monster zich uitrolden, klaar om zich vast te zetten aan mijn binnenkant.

‘Maar ik ben ook zwanger en over een paar dagen heb ik ook een kindje’.

De realiteit haalde mijn oude verdriet in, ik voelde hoe mijn hart weer warm en zacht werd, hoe de stekende pijn verdween en de brok in mijn keel zich weer oploste. Het is voorbij, maar nog niet over.
Een zwangerschapsaankondiging, gender revealparties, foto’s van pasgeboren baby’s. Nog steeds raken ze de kinderloze vrouw die ik eerst was.
In het begin kwam het verdriet opzetten als een storm, moest ik alle zeilen bijzetten om te kalmeren, me schrap zetten en wachten tot de wind weer zou gaan liggen.
Later vuurde mijn hoofd verlichtende inzichten af; jij bent zwanger, weet je nog? Jouw wens is nu in vervulling aan het gaan, jij bent ook al moeder!

Ze leek het niet kunnen bevatten, mijn kinderloze kant.
Durfde niet te geloven dat het écht zo is, bleef op safe spelen. Was de eerste weken doodsbang om te gaan plassen, om af te vegen en bloed te zien op het verfrommelde wc-papiertje. Keek reikhalzend uit naar de 12 weken echo, naar de 20 weken echo. Probeerde iedere beweging te registeren. Durfde geen babyspullen te kopen, vond het eng om de kamer in te richten, koos trillend een kinderwagen uit in de babywinkel.
Raakte van streek bij het idee dat de zwangerschap ooit zou eindigen, ook al zou dat juist betekenen dat haar liefste wens in vervulling zou gaan.

Ik wil al zolang zwanger zijn, dat ik niet kan geloven dat hierna nog iets komt.
Negen maanden vol hoop en vrees – maar zo anders dan die acht jaar daarvoor- met kwaaltjes – maar zo anders dan de endopijn.
We zijn er bijna, de zwangerschap is bijna klaar, lieve Muna jij komt eraan.
Ik kan nog steeds niet geloven dat dit écht is. Dat jij na de bevalling in onze armen ligt en dat wij je mogen houden, dat wij je mogen helpen groeien en jij ons
Ik kan niet geloven dat dit écht is.
Dat de kinderloze vrouw in mij onderdeel is geworden van een verleden, dat ik haar koffers mag uitpakken, haar schatten mag meenemen en de rest mag laten staan.
Dat het verdriet er mag zijn, maar dat ik het niet meer hoef te dragen, dat het niet meer hoeft te groeien, dat het geen rode draad meer zal zijn in mijn leven.

Dat het over is en nu eindelijk gaat beginnen.

Over jonge koeien en oude emmers


Het is de druppel die de emmer doet overlopen
Mijn emmer liep nooit over, want iedere keer stootte iemand em om
Per ongeluk, of expres
Uit jaloezie of onbeholpenheid
Alleen of samen met anderen
Iedere keer ging die emmer om
Iedere keer zette ik em weer overeind
Maakte ik de bodem vrij van het zand uit de ogen,
Van de stenen uit de maag
Van de borden voor de koppen
Ieder keer legde ik de lat weer wat lager

Verliet ik mijn referentiekaders, zoekend naar houvast bij anderen
Rekte ik mijn grenzen
Bemestte ik mijn begrip
Zodat ik uit iedere berg stront de hoop kon laten ontspruiten

Als ik maar harder..
Als ik maar meer..
Als ik maar beter..
Als ik maar geduldiger..

Anderen strooien als zachte heelmeesters zand in ogen
Duwen jonge koeien kopje onder in de sloot,
Gooien met modder terwijl ze hun ware aard blijven bedekken
Schreeuwen om het hardst in de hoop écht gehoord te worden

Mijn lat is hun lamp
Waar ze steeds weer tegenaan lopen
Geen wonder dat het licht niet in de ogen wordt gegund

Mijn oude emmer
Verroest, gebutst en verbogen
Is overgelopen
Want ik maakte het leven
Mijn vrede als een rivier
Mijn liefde als een oceaan
Mijn blijdschap als een fontein
Passen niet meer in een emmer

Dus hou je emmers, je koeien en wonden
Laat ze overlopen, trek ze uit de sloot, laat ze etteren of helen
Laat jezelf zien, laat jezelf horen
Of pak de borden uit de kast, plaats ze weer voor je kop
Negeer de steen in je maag en wrijf nog wat meer zand in ogen

Mijn emmers
Gaan met pensioen
Mijn stroom is niet meer te stoppen

De paradijsvogel

Buiten dendert de wereld door, binnen is alles vertraagd
Ze glijdt uit over dromen, ploetert door bergen pijn en stapels pech
Toch staat ze op, hoe vaak ze ook valt
Soms als onderwerp, soms als lijdend voorwerp, maar altijd zet ze haar woorden aan het werk

Zij brouwt van zure zaken simpelsap.
Zorgt voor haar eigen zoetheid in bittere tijden
En zelfs als er geen vruchten zijn om te plukken, blijft ze haar oogst met me delen
Knalt ze dwars door mijn scherm de ruimte in, deelt de kronkels van haar gedachten, de kartelrandjes van haar pijn
Er hoeft niets op te klaren om er te mogen zijn
Hoe hardleers ik ook ben, zij blijft het me leren

En nu is het winter
Met hand en tand verzet ik me tegen de kaalheid van haar seizoen
de rauwheid snijdt in mijn wangen en doet mijn ogen tranen
Ik wens haar lente
Waar de lucht vol leven is en knoppen staan te popelen om op te bloeien.
Ik wens haar eindeloos warme zomeravonden, waar we kunnen dansen in ons hemd en klepperend op onze slippertjes weer naar huis toe slenteren.
Ik wens haar herfst
Zodat zij zich kan laven aan de goudgele gloed en haar zorgen als blaadjes van zich af kan laten dwarrelen
En toch is het winter

Zij zegt dat zij niet sterk is, geen vechter en geen inspiratiebron is.
Maar in de diepste donkerte, blijft ze lichtpuntjes scoren
Rijgt ze aan elkaar en blijft ze met mij delen
zodat ik niet alleen haar, maar ook mijn eigen licht kan zien schijnen.
Ieder keer opnieuw

Welk seizoen het ook is,
Welk seizoen het ook mag worden,
Niets neemt haar af wat ze voor mij altijd zal zijn.

Ps. Ben je benieuwd naar het verhaal achter mijn Simpelsapjes?
Volg me dan op Facebook of Instagram.

Daar licht ik regelmatig een tipje van de sluier op. 😉

Ik ben haar thuis

Ik ben haar thuis
Eerst van binnen, nu van buiten
Droomt ze op het ritme van mijn hart
Met haar ogen dicht loopt ze met haar vingers langs de lijnen van mijn lijf
Zoekend naar ruimte
Zoekend naar houvast
Zachtjes smakt ze tussen mijn borsten
Waar het smaakt naar tranen
Waar ruikt naar groei
Zij weet niet waar ze eindigt
Of waar ik begin

Ik ben haar thuis
Met haar ogen half gesloten
Drinkt ze van mij
Slokt ze gulzig het leven op
Met een vuist in de lucht
Mompelt ze dromerig voor zich uit

Ooit
Zal het leven naar meer smaken
Zal ze zich met hand en tand verzetten
Tegen mijn huid, mijn haar en handen
Zal ze zich afzetten
Precies weten waar zij wil eindigen
Niet beseffend dat ook ik ooit zo ben begonnen

Ooit
Zal ze het avontuur ruiken
En op eigen benen willen staan
Ze zal verhuizen

Maar dat is ooit
Nu ben ik haar thuis
Nu draag ik haar op handen
Eerst van binnen, nu van buiten
Straks op afstand,
Maar voor altijd dichtbij mijn hart


Afscheid na acht jaar

Acht jaar lang was ze bij me.
Eerst op kleine flitsbezoekjes, vergezeld door haar vriendin.
Daarna kwam ze vaker alleen. Op de thee, om vervolgens te blijven plakken tot na het avondeten. Later rolde ze haar slaapzak pontificaal in mijn kamer uit en bleef ze logeren.
Ik heb haar nooit uitgenodigd, nooit gevraagd te blijven.
Ik heb haar nooit verteld waar ik woon, of de sleutel gegeven.
Het maakte niets uit. 

Soms deed ik of ik niet thuis was.
Deed ik de lichten uit en kroop ik met mijn ogen dicht in bed.
Als ik mijn ogen open deed, stond ze er weer met al haar bagage.
Soms blokkeerde ik de deur.
Chantte ik positieve affirmaties, wrong ik me lenig in allerlei bochten om haar te ontwijken.
Soms probeerde ik haar te verleiden.
Masseerde ik haar zachtjes terwijl ik lieve woorden fluisterde.
‘Jij bent goed zoals je bent’  of ‘Het leven met jou is een avontuur’.
Ik kookte eindeloos veel gezonde maaltijden, pompte haar vol met vitaminen, in de hoop dat ze fit genoeg zou worden om te vertrekken.
Het maakte niets uit.

Ze bleef.
Weken werden maanden, maanden werden jaren.
Haar slaapzak ruilde ze in voor mijn bed.
Ze verfde de muren, hing andere gordijnen op en pikte mijn favoriete plek in op de bank.
Soms ging ik weg.
Smeet ik met geld om zo ver mogelijk van haar vandaan te zijn.
Stippelde ik ingewikkelde routes uit, om op de plaats van bestemming erachter te komen dat ze gewoon met me was meegereisd.
Soms vulde ik mijn hoofd met nieuwe plannen, zodat er voor haar geen plek was.
Een boek, een bedrijf, een andere baan, een ander leven, een ander bestaan.
En als ik dan s’nachts in mijn bed lag, moe van al het plannen, schoof ze lepeltje lepeltje tegen me aan en sloeg ze haar armen om me heen.

Moederdag
Mijn verjaardag
Op vakantie
Met kerst en met nieuwjaar
Ze bleef
Ze bleef
Ze bleef

Later bleef ik ook
We praatten nachtenlang
(Ze was best grappig)
We zochten naar lotgenoten
(Blijkbaar waren we niet alleen)
We deelden onze verhalen
(Wat een avonturen!)

Ballonnetjes van hoop hingen gemoedelijk aan slingers van verdriet
Hoe vaak zij ze ook doorprikte
Ik blies er toch altijd weer eentje op
Weken werden maanden, maanden werden jaren
Langzaam werd het goed zoals het was

‘Nou, dan ga ik maar…’
Kordaat staat ze op en loopt naar de deur.
De slingers wapperen in haar voorbijgaan.
Eigenlijk wil ik haar tegenhouden
Ik weet wat ik heb
Ik weet niet wat er zal komen
Het is toch goed zoals het is?
Maar ze staat al bij de deur
En ik kijk stiekem al uit naar de volgende gast

Dag Miss Kinderloos,
Tot nooit meer ziens.


Kwijt bent u nooit

De jaren vliegen voorbij
De herinneringen vervliegen
Maar kwijt bent u nooit

U zit verstopt in haar handen
Die anderen leiden op het ritme van de muziek
Uw schaduw trekt over zijn hoofd
Waar de haargrens terugloopt en de groeven zich verdiepen
U komt uit zijn mond
Als hij spreekt in eenvoud om de waarheid te ontrafelen
U bent verweven in haar basis
Uw woorden vormden de fundering van haar bestaan
U weerklinkt in zijn stilte
Waarin alles al is gezegd

Kwijt bent u nooit
Uw rozen kleuren nog steeds onze zomers
Uw muziek weerklinkt in onze kamers
Uw geurtje zorgvuldig opgeborgen in onze lades

Kwijt bent u nooit
Uw adviezen lopen als rode draden door ons leven
Vormen de kaders van onze daden
Uw lat ligt er nog steeds
Steeds weer proberen we te voldoen
Ook al bent u er niet meer om te checken
Of het goed is wat we doen

De onmacht van een schrijver (Deel 2)

Nu de wereld even stilstaat,
Staat die van ons op z’n kop
Op Simpelsap de stilte
Om mij heen de storm
Jij bent de mooiste die ik ooit heb gehad
Alsof al mijn creatiekracht is gestold
Tot een bedje voor jou om te groeien

Ik ben geen winnaar
Ook al heeft deze finish twee streepjes,
En zijn er talloze hordes overwonnen
Ook al viel ik vele malen en stond ik nog vaker op
Ik ben geen winnaar

In 96 maanden leerde ik
Blokkades doorbreken
En grenzen herstellen
Boog ik met mijn blote handen
kaders om tot traptreden
Wiebelde ik tussen hoop en vrees
Steeds weer mijn weg naar boven

In 96 maanden
Gooide ik de deur open
Voor alle monsters
Paradeerden ze voorbij,
Bleef ik kijken en werd ik overladen met cadeaus
Schoonde ik mijn kasten op
Gaf ik hun lijken een passend afscheid
Vergoot ik bloed, zweet en tranen
Net zo lang tot al het oude zeer was weggespoeld
Het is eindelijk voorbij

Nu de wereld op adem komt
Houden wij die van ons in,
Staren we ongelovig blij en dankbaar naar klein schermpje
Met de twee belangrijkste lijnen van ons leven
Die de deur open zetten naar ons nieuwe normaal
Mijn lieve kind,
De weg naar jou was lang,
En nu kom je eindelijk naar ons toe

De onmacht van een schrijver

In de film weet ik het vaak al te voorspellen.
De schijnbaar kleine aanleiding die leidt naar de alles veranderende plottwist.
Die ene blik, interactie, of handeling die ervoor zorgt dat het treintje richting een happy end in beweging komt. Het hoofdpersonage komt tot een besef, de stukjes vallen op hun plek en het verhaal kan niet anders dan afsluiten met een mooie eindscène. Strikje eromheen en klaar.
Soms hang ik als een helikopter boven mijn eigen leven, probeer ik in alle warrigheid een rode draad te ontdekken. Iedere keer raak ik met mezelf in de knoop.
Ik voorzie kleine, schijnbaar onbenullige dingen van commentaar, beoordeel ze als de voorbode die ervoor zal zorgen dat ons verhaal van ongewenste kinderloosheid eindelijk eindigt met een baby.

Natuurlijk werd ik deze keer ongesteld, na onze reis in Indonesië moest mijn lijf eerst landen, eerst alle emotie en gebeurtenissen verwerken en dan zal ik volgende maand vast…
Als ik deze maand zwanger word, ben ik uitgerekend rond mijn verjaardag. Als ik 33 word op de 22ste, dan zal het kindje komen.
Logisch dat ik nu niet zwanger ben, ik ben ook veel te gestrest na zo’n hectisch jaar. Volgend jaar wordt vast anders..
Kerskindjes, lentebaby’s, zomerkinderen of een baby in de herfst.
In mijn scenario’s heb ik ze allemaal gehad. Ging ik zwanger op vakantie, werd ik zwanger op vakantie, of deden we nog even een laatste trip naar zee voordat de kleine zou komen.
Dit zou de verandering zijn van ons verhaal, ik wist het zeker.
Ik moest eerst even ontgiften, een nieuwe baan, een emotionele horde over, een trauma verwerken, gezonder eten, lichamelijk in balans komen, geestelijk in balans komen, spiritueel in balans komen, de hele balansbullshit loslaten en ‘gewoon leven.’
Hij moest eerst meer balans op zijn werk, deze levensles onder de knie krijgen, meer sporten, meer energie, meer daadkracht, of juist meer rust.
We moesten eerst nog aan onze relatie werken, de tuin doen, naar zijn familie, naar mijn familie, een retraite, meer ruimte in ons leven, meer bewustzijn, minder bewustzijn.
We vinken alle puntjes af, werken alle lijstjes door, zoeken naar nieuwe doelen, taken of voorwaarden om aan te voldoen. 
Alles voor een plottwist, maar ons verhaal blijft onveranderd.

Wij zijn 93 maanden en meer dan honderd scenario’s verder.
De baby’s die tegelijkertijd met mijn kinderwens werden geboren, gaan naar school en halen hun zwemdiploma’s. Complete gezinnen zijn er in die tijd gevormd, complete huwelijken en relaties zijn gestrand.
Een streepje, blijft een streepje.
Waar eerst hoop en wanhoop was, is er nu niets.
De scenario’s sterven langzaam uit, mijn helikopter blijft steeds vaker aan de grond staan.
De Grote Leegte die op me af denderde als ik dacht aan een later met z’n tweeën, verandert steeds meer in De Grote Opluchting.
Geen hoop, geen testen, geen scenario’s, geen kinderen.
Gewoon dit, gewoon wij.
Genieten van elkaar, onze relatie, onze vrijheid en onze levensstijl.
Verdiept en verbonden door het verdriet dat er nog steeds doorheen golft, dat er altijd doorheen zal golven. Soms kabbelend, soms heftig als een tsunami.

Nou, als dit geen voorbode is van een plottwist, dan weet ik het ook niet meer.

Afgaan en opklimmen

‘Eh! Eh! Eh!’


Ze staat onderaan de heuvel.
Haar lichtroze jasje heeft zwarte vegen en haar blonde haren zijn aan haar wangen geplakt. De woorden zijn er niet, maar de boodschap komt luid en duidelijk over. Ik zucht.
Zo gaat het al de hele dag.
Als ze de pop niet aangekleed krijgt, als haar stoel aangeschoven moet worden, als ze haar schoenen niet uitkrijgt of haar jas niet aan..één geluidje van haar is genoeg om mij in beweging te dwingen.

‘EH! EH! EH!’
Ik heb de pop aangekleed, de stoel aangeschoven, haar schoenen uitgetrokken en haar jas aan.
Ik antwoordde haar lief, geduldig, kortaf, of niet, maar deed telkens wat ze wilde.
Deze keer probeer ik haar te negeren.
Ik doe een dappere poging om me op de andere kinderen te concentreren, maar binnenin begint het te kriebelen. Gevoelens van ergernis krabben zacht maar zeker de zorgvuldig geplamuurde glimlach van mijn gezicht af.
Haar bleke gezichtje is vuurrood aangelopen, haar handjes zijn tot vuistjes gebald, ze trilt.
De eerste keer hield ze de verkeerde kant van de reling vast en kon ze de weg niet vinden.
De tweede keer verloor ze haar evenwicht en rolde ze de helling af.
De derde keer liepen twee enthousiaste klasgenootjes haar pardoes omver.

‘EH! EH! EH!’
Ik kijk naar mijn voeten, draai de punten van mijn schoenen nog wat verder de aarde in. Koppig probeer ik haar aanhoudend gedrein te negeren en ik dwing mezelf te genieten van de zachte zonnestralen op mijn gezicht.
Het lukt niet.
Zij staat te stampvoeten en in mijn hoofd buitelen de gedachten over elkaar heen.
‘Kind ga in vredesnaam iets anders doen. Je ziet zelf toch ook wel dat het je niet lukt. Je bent nog veel te klein om zo hoog te klimmen! Pas op, dalijk val je weer naar beneden! En wat zullen je ouders wel niet denken als je zo vies en huilerig naar huis gaat straks?!’
Ik zucht nog eens.  
Wat ik ook doe, wat ik ook het zeg, het kan haar toch niets schelen.

‘EH! EH! EH!’
Het kan haar niet schelen dat haar al drie keer niet is gelukt.
Ze kan eens niet tellen.
Het kan haar niet schelen dat haar leeftijdsgenootjes moeiteloos hun weg naar boven weten te vinden.
Ze ziet hen niet eens klimmen.
Het kan haar niet schelen dat andere kinderen haar hebben zien vallen of struikelen.
Onderweg naar boven is ze toch alleen met zichzelf bezig.
De zon trekt weg en ik voel kleine druppels op mijn haren vallen.
Ze blijft staan, blijft naar me kijken en blijft stampvoeten.
Even kom ik in de verleiding om haar op te pakken en ver van de glijbaan weer neer te zetten.
Haar toe te snauwen dat ik he-le-maal GEK word van haar ge-EH,  dat ze die helling helemaal niet op kan, dat ze niet zo moet drammen en beter iets anders kan bedenken om te doen.
Hoe vaak heb ik mijn fouten geteld en mezelf afgesnauwd dat ik het niet kan?
Hoe vaak heb ik mezelf vergeleken met anderen en mezelf verweten dat ik niet zo moet drammen?
Hoe vaak heb ik me geschaamd omdat ik dacht dat anderen naar me keken als ik onderuit ging?
En hoe vaak heb ik van mezelf geëist dat ik beter iets anders kon bedenken om te doen?

‘EH! EH! EH!’
Ik pak haar niet op, ik snauw haar niet af. Ik kijk alleen naar haar.
Een stampvoetend minimeisje onderaan de heuvel dat weigert op te geven tot ze van de glijbaan kan. Als ik naar haar toe loop, grijpt haar zanderige handje meteen de mijne vast. 
Samen stijgen we op. Zij naar glijbaan, ik boven mezelf uit.
Zij giechelt, ik lach.
‘Wie het eerst beneden is!’